De Tora en het land
Stapsteen 1
We gaan weer even terug naar Abraham en het verbond dat God met hem sloot. Net als bij een huwelijk heeft dat inhoudelijke en ook ruimtelijke consequenties. De partners beloven inhoudelijk hoe ze met elkaar zullen omgaan. En ze zoeken ruimtelijk ook een stekje om dat nieuwe leven met elkaar in alle rust vorm te geven.
Wat het verbond inhoudelijk betekent wordt in de loop van de Tora steeds duidelijker. Als God iets met deze verbondspartner wil, dan is het wel dat daar het leven zichtbaar wordt zoals Hij dat altijd bedoeld heeft. Het volk Israël moet een licht temidden van de volkeren der aarde worden.
Maar dat nieuwe leven moet ook ergens geoefend worden, er moet een concrete ruimte voor zijn. Maar waar? Is er een plek op aarde waar alle woorden van de Tora tot hun recht kunnen komen?
In principe lijkt dit voor God eenvoudig, want de hele aarde is van Hem, nietwaar? Ook al denken mensen vaak dat je land kunt bezitten en dus kunt kopen en verkopen. In principe is het echter zo dat volken leven op het erf dat God hen gunt. En dat erf is en blijft van Hem.
God moet er dus als het ware op uit om voor het leven van Hem en Abraham ergens een erf te vinden.
En dan horen we iets heel bijzonders. Bij de verbondsversluiting in Genesis 15 zegt God dat Abrahams nageslacht nog wel zo’n 400 jaar moet wachten voordat Hij hen land kan geven om te beërven; want ‘eerder is de ongerechtigheid van de Amorieten niet vol’.
De Amorieten woonden in Kanaän en God heeft kennelijk dat land op het oog voor zijn volk Israël. Maar dat gaat niet zomaar. De Amorieten zijn ook zijn schepselen. Hij heeft hen dat land als erf gegeven om daarop te leven. Dat leven mag plaatsvinden met vallen en opstaan, waarbij barmhartigheid en gerechtigheid echter hoog in Gods vaandel staan. En het onrecht op het erf van de Amorieten is kennelijk groot, maar nog niet van dien aard dat God hen gaat ‘onterven’. Hij heeft eerst nog eeuwen geduld met hen.
Stapsteen 2
‘Beërven’ en ‘onterven’, dat zijn de beste weergaven van het Hebreeuwse werkwoord dat we eindeloos tegenkomen in het laatste boek van de Tora, Deuteronomium; niet te vertalen als ‘in bezit nemen’ en ‘verdrijven’, want juist beërven en onterven zijn voortdurend in de tekst met elkaar verbonden en rijmen op elkaar.
Eindelijk staat het volk Israël na eeuwen klaar om ‘het aan Abraham beloofde land te beërven’. Van Godswege krijgen ze daarvoor toestemming; en ze krijgen daarbij de opdracht om dan – eveneens van Godswege - de inwoners van Kanaän te ‘onterven’.
Tegelijk geeft God zijn verbondsvolk de waarschuwing mee: Ik zal ook zonder mankeren jullie op jullie beurt onterven als je op mijn erf niet leeft zoals Ik het bedoeld heb. En de latere ballingschappen van Israël zijn daar het zeer ernstig te nemen voorbeeld van.
Zo vindt het volk Israël dus een eigen stek temidden van de wereldvolkeren, in Kanaän: het aan Abraham beloofde land.
Het valt ook op, als je de Tora leest, dat heel veel richtlijnen die het volk meekrijgt zijn toegesneden op dit specifieke land en dus ook alleen in dat land vervuld kunnen worden. Dat gaat van richtlijnen voor zaaien en oogsten tot een richtlijn welke bomen je mag kappen voor gevechtstorens in geval van oorlog; en welke bomen je zeker niet mag kappen.
Dit alles betekent ook dat heel veel van de zogenaamde 613 mitswot/richtlijnen die het jodendom kent niet van toepassing zijn als het volk buiten het erf Kanaän leeft. In de ballingschappen die het volk meemaakt zal er dan ook altijd het verlangen zijn weer naar het door God gschonken erf te mogen terugkeren om alle richtlijnen van de Tora te kunnen vervullen.
Stapsteen 3
Nu is er dus een land, een erf.
En zo komen we bij het belangrijkste van alles: hoe er in dat land geleefd moet worden: de inhoud van een leven met de Tora. Want het hele verbond, Gods hele bruggenhoofd op aarde, heeft geen zin als het zich qua geloof en dus ook qua ethiek niet onderscheidt van de volkeren rondom; ‘heilig’, ‘apart’ moeten ze zijn. Hier is het God om begonnen: een volk dat een signaal afgeeft van het ware leven van mensen met elkaar en met de hele schepping.
Nu is het een van de grootste misverstanden in het christendom dat men het woord ‘Tora’ in de Vulgaat, de Latijnse Bijbel die eeuwen functioneerde, vertaalde met ‘Lex’. En zo is het in alle Europese talen overgenomen; als was het een ‘Lex’, een ‘Wet’. Dat miskent volledig de intieme sfeer waarin de verbondspartners leven. Wie een huwelijk beleeft als een periode waarin hij of zij moet voldoen aan ‘wetten’ kan daar beter direct mee ophouden.
Het volk Israël kent het feest Simchat Tora, Vreugde over de Tora, en dan bedoelen ze geen wetboek. Bedoeld wordt het van alle slavernij bevrijdende Woord van God, Gods vaderlijke levenslessen, het ongedachte leven dat je vindt als je de wegen gaat die Hij wijst. Beroemd is Psalm 119, de allerlangste psalm die er is. Dat is een en al simchat Tora. In elk vers wordt door de dichter iets gezegd over de betekenis van de Tora voor zijn leven. Hij doet dat door met elk van de twee-en-twintig letters van de Hebreeuwse alfabeth acht keer een zin te beginnen, zodat hij dus tot 176 spreuken komt.
Beroemd is ook geworden de zogenaamde samenvatting van de Tora in Exodus 20 en Deuteronomium 5. In het jodendom heten die de ‘Tien Woorden’; in het christendom ten onrechte de ‘Tien Geboden’.
Voor zover wij weten volgt ook geen enkele kerk de joodse telling van de Tien Woorden. Voor Israël is het eerste Woord: ‘Ik ben de Enige, uw God, die uit Egypte, uit de slavernij geleid heeft.’ Die bevrijding staat voorop! En die bevrijding stempelt alle woorden die daarop volgen. Het zijn allemaal richtlijnen om het volk voor altijd vrij te houden en nooit meer slaaf van wat of wie dan ook te laten worden. Dus opnieuw: simchat Tora. Er zijn momenten dat er in de synagoge met de Torarollen gedanst wordt!
Het geeft maar aan hoe belangrijk het is de bijbelwoorden te horen in de levende joodse traditie en de Hebreeuwse taal.
Stapsteen 4
Wat staat er allemaal in de Tora?
In deze eerste vijf afleveringen komen we niet verder dan slechts iets weer te geven van het verband en het verbond waarin de bijbelteksten staan. We hopen later in te zoomen op de vele bijbelse vertellingen die allemaal nader invullen wat de Tora voor ieder mens kan betekenen. Maar om toch al wat voorbeelden te geven, een aantal begrippen en woorden die zo anders door Gods Tora worden ingevuld dan wij gewend zijn.
Het begrip ‘Waarheid’ wordt onder de volken verstaan als dat wat in overeenstemming is met de feiten. ‘Waarheid’ - èmet in het Hebreeuws -betekent in de Tora echter vooral: betrouwbaar zijn voor je medemens, een goede naaste zijn voor een ander. Daar mag je ook voor ‘liegen’.
Het begrip ‘Barmhartigheid’ - racheem in het Hebreeuws – is in de Tora verbonden met het woord ’baarmoeder’. Barmhartigheid is dan ook die activiteit waardoor een leven dat nog niet op zichzelf kan (be)staan, omsloten wordt door de schoot van een ander mens. Iemand wordt op schoot genomen.
Het begrip ‘Gerechtigheid’ - tsedaka in het Hebreeuws - heeft niets te maken met het Romeinse denken en de Romeinse taal: Iustititia; daar komt ons woord justitie vandaan. Justitie is erop uit een ‘schuldig’ of ‘onschuldig’ uit te spreken. In de Tora betekent gerechtigheid de inspannning je te beijveren dat mensen tot hun recht komen, werkelijk leven vinden; of ze nu dader of slachtoffer zijn.
Tenslotte het begrip ‘Liefde’. Daarbij gaat het in de Tora niet zozeer over iets dat gevoeld moet worden, het gaat niet om een lief vinden van de ander, het gaat om een manier van doen. Zelfs je vijand kun je overeind helpen als hij gevallen is; je kunt hem een beker water geven als hij dorst heeft.
De Tora, Gods richtlijnen. Dat is waartoe Israël, levend op Gods erf, geroepen is. De volkeren te laten zien wat waarlijk waarheid, trouw, geloof, leven, dood, liefde, haat, recht en krom, wijs en dwaas - en zo maar voort - genoemd mag worden.