Bart Gijsbertsen

2026

Bruggenhoofd in de wereld

Stapsteen 1

Het duurt heel lang voordat Israël zijn verhalen op schrift stelt. Als we Abram plaatsen rond 2000 jaar voor Christus dan zijn we sowieso al 1000 jaar verder voordat we de levens en de geschriften van de koningen David en Salomo tegenkomen; koningen die zich dan nog steeds beroepen op Gods verbond.
De grote redacties van de bijbelverhalen verschijnen pas in de zesde eeuw v.Chr. tijdens Israëls Babylonische ballingschap. Maar dan wordt ook een cultureel hoogstandje geleverd dat zijn weerga niet kent. De Hebreeuwse tekst wordt ingelegd als een schitterend geometrisch patroon van letters en woorden die ook numeriek duizelingwekkend zijn; de Hebreeuwse letters hebben namelijk ook alle een getalswaarde waar ook nog weer een symbool-waarde aan hangt.

Wat ons nu interesseert is de volgorde van de eerste vijf boeken van de Bijbel die tegelijk het hart van het jodendom vormen: de ‘Tora’, ook wel  de vijf ‘boeken van Mozes’ genoemd. Het jodendom kent ze als Bereesjiet (in Begin[sel]), Sjemot (Namen), Wajiqra (En Hij riep), Bemidbar (In de woestijn) en Debariem (Woorden c.q. daden). In de Europese talen, beïnvloed door het Latijn en de kerkelijke uitleg, werd het: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium.
Pas in het tweede boek van de Tora gaat het over Israël als volk. Welk boek gaat daar dan aan vooraf? De kerk heeft het geduid als een boek over de schepping van de wereld, maar daarmee is zij abuis. Bereesjiet gaat over principes, dat wat principieel het leven van Israël bepaalt. In dit eerste boek van de Tora vertelt Israël wat het betekent en hoe het voelt Gods bruggenhoofd op aarde te zijn. Dat is ook logisch. Je stelt je eerst netjes voor: wie je bent en waar je vandaan komt. En in dit geval: waarom je iets te zeggen zou hebben dat iedereen zich aan zou moeten trekken.

Als deze woorden aan het papier worden toevertrouwd is het volk Israël al eeuwen onderweg als Gods verbondsvolk. En het weet inmiddels ook wat dat betekent voor het eigen leven en hoe volken om Israël heen daarop reageren. En Israël vertelt over zijn ervaringen wat dit betreft in verhalende vorm aan de hand van de levens van enkele ‘eerstgeborenen’, te weten: Abram, Izaäk, Jakob en Jozef.
Het boek Genesis vertelt zo wat het betekent als volk door God gecreëerd te zijn en wat dat principieel betekent voor de eigen identiteit ten opzichte van de andere volkeren der aarde. Het doet dat in een uitwerking van het begrip ‘eerstelingschap’. Abram en zijn zaad worden door God gekozen om als het ware als ‘eerstgeborene’ te functioneren in Gods grote gezin van alle volken. Die volken zijn dus de broertjes en zusjes van Israël.

Stapsteen 2

Al bijna direct wordt in de verhalen duidelijk dat dit eerstgeboorteschap geen biologisch gegeven is. Het is een keuze van God, Hij bepaalt wie the chosen is. In alle verhalen in Genesis wordt echter tussen de broers om het eerstgeboorterecht gestreden; tussen Ismael en Izaäk, tussen Jakob en Ezau, tussen Jozef en zijn broers.
In alle verhalen wordt dan ook niet voor niets uitentreure verteld dat het eerstgeboorte-recht c.q. het eerstelingschap geen natuur-recht is! Het is een geschonken plaats in het grote geheel en er hangt een enorme verantwoordelijkheid aan deze verkiezing. Zodra die verantwoordelijkheid maar even zou doordringen bij de broers en zussen van Israël, zou niemand meer om deze verkiezing vechten. Eerder zou men dan in respect ruimte scheppen voor de gekozen eersteling om zijn taak naar behoren te kunnen vervullen.

In de loop van de verhalen wordt steeds duidelijker wat het eerstelingschap inhoudt.
Als eerstgeborene ben je de rechterhand van je vader bij het bestuur van de familie en stam. Als zodanig bevoorrecht - maar ook verantwoordelijk gehouden! - vertegenwoordig je vader bij je broers en zussen. Maar je vertegenwoordigt ook de broers en zussen bij je vader; je zorgt dat hun ervaringen en berichten bij vader aankomen.

En, zo blijkt uit de verhalen, deze eerstgeborene is in het bijzonder aan God, de Enige, gewijd en draagt Gods zegen. Dat wil zeggen: de Enige is met hem – eventueel ook zijns ondanks! – opdat er in zijn spoor sjaloom en zegen zal zijn voor allen.
Dit alles zou christenen overigens bekend moeten voorkomen. Al deze betekenissen zijn immers toepasbaar op Jezus die in de christelijke theologie de ‘Eerstgeborene’ van de Vader wordt genoemd. Dat is zo joods dwz. zo bijbels gedacht als maar denkbaar is. Daar komen we nog wel op terug.

Stapsteen 3

In de loop van de Genesis-verhalen wordt ook duidelijk wat voor druk de eerstgeborene ervaart. Hij lijdt aan zijn eigen positie; soms miskent hij die positie, soms misbruikt hij die plaats. Hij kan die plek loochenen, hij kan er arrogant van worden; alles wat een mens maar positief en negatief kan doen. Het is ook een enorm beroep op geloofsvertrouwen in God en dat wordt lang niet altijd waargemaakt, integendeel. Israël is daar in alle bijbelverhalen ook eerlijk over; zelfs als die eerlijkheid tegen hen wordt gebruikt.

De andere kant die ook duidelijk wordt in de Genesis-verhalen: de broers en zussen, de volkeren om Israël heen, begrijpen deze verkiezing niet; óf ze zijn er jaloers op en willen zelf de verkorene zijn, óf ze willen gewoon van Israël en dus van de hand van God in deze wereld af; laat los!
De volkeren beseffen over het algemeen niet dat de creatie van Israël hen niet buitensluit maar juist insluit. Het bruggenhoofd van God op aarde is er immers juist tot heil van iedereen. Geniet daarvan, zou je zeggen, en wees blij dat jij als Germaan, Azteek of Romein of wie dan ook de verantwoordelijkheid niet hoeft te dragen die met deze verkiezing meekomt.

Hoe inclusief – het leven van alle volken ten goede - het leven van de eerstgeborene bedoeld is, horen we in de Genesis-verhalen ook. Wordt Ismaël echt definitief buiten gesloten of afgeschreven? Nee, ook Ismaël, andere zoon van Abraham, wordt door God gezegend en wordt aartsvader van twaalf stammen. Dat inclusieve, dat ‘aanwezig zijn ten goede’ van Abraham en zijn nageslacht, zie je ook in de andere verhalen. De komst van Jakob in Paddam-Aram in Mesopotamië brengt zegen. De aanwezigheid van Jozef in Egypte redt de hele wereld van die dagen. En dat gebeurt ook allemaal ondanks wat er allemaal op Abram, Izaäk, Jakob en Jozef is aan te merken.
En dat gebeurt ook al is uiteindelijk bijna altijd ondank hun loon van de kant van degenen die van hun ‘aanwezigheid ten goede’ profiteerden.

Stapsteen 4

Hoe het boek Bereesjiet in Israël terugkijkend is geschreven en hoe het nog altijd wordt gelezen als een actueel verslag van de verhouding tussen Israël en de volkeren altijd weer, dat merk je bijvoorbeeld aan de rabbijnse uitleg van de verhouding tussen Jakob en Ezau.
Jakob en Ezau botsen al op elkaar in de baarmoeder. Geen wonder stellen de rabbijnen: als moeder Rebekka langs een synagoge liep, wilde Jakob eruit; als ze langs een heidens feestje liep wilde Ezau eruit. Een humoristische maar ook serieuze aanduiding van de tegenstelling tussen joods en heidens leven.
Maar een volgende joodse uitleg maakt de tegenstelling pas echt groot en zet die ook politiek op het wereldtoneel. Toen Ezau geboren werd was hij geheel behaard, meldt Genesis: dat wil zeggen – zo luidt rabbijnse uitleg -: hij droeg een romeinse mantel; sterker nog: hij was al een representant van  de romeinse keizer Hadrianus. Jakob daarentegen representeert Israël, sterker nog: representeerde al koning Salomo. Groter tegenstelling is haast niet denkbaar: het Romeinse Imperium van India tot de ‘hadriaanse muur’ in Engeland tegenover de grootste koning van Israël, de vredevorst Salomo.

In 70 na Christus vernietigden de Romeinen de Joodse staat en Joden zouden daarna maar liefst tot het jaar 1948 vogelvrij over de hele wereld zwerven. Hoe overleef je zoiets?
Het is goed te beseffen: als in de leerhuizen van Israël het boek Bereesjiet wordt gelezen, dan worden de verhalen over de aartsvaders daar niet beleefd als een grijs verleden; het is actualiteit, het is wat je in principe altijd ziet. Het is hoe Israël in de loop der tijden de volkeren heeft ervaren: altijd ‘de kop van jut’, de ‘zondebok’. Het aangevochten bruggenhoofd van God in de wereld.
En vierduizend jaar na Abraham heeft het nog steeds geen rust.